Weg

Weg

East, een vijftienjarige zwarte jongen die is opgegroeid in een achterstandsbuurt in Los Angeles, maakt deel uit van een drugsbende, waarvan zijn oom de leider is. Wanneer het drugspand waar East op wacht staat, wordt opgerold besluit de grote baas alles on hold te zetten. East krijgt van hem een bijzondere opdracht: hij moet samen met drie andere jonge jongens (ze zijn allemaal tussen de 13 en de 20 jaar) in een busje naar de andere kant van Amerika rijden om een getuige in een proces tegen een belangrijk bendelid te vermoorden.

Met dit boek won Beverly de Gold Dagger, de prijs voor de beste crime novel van het jaar, maar dit is veel meer dan een spannend, goed geschreven verhaal; het is een zeer gelaagde, diepgravende coming of age-roman, die overtuigt en ontroert, en allerhande sociale kwesties aan de kaak stelt.


✻ ✻ ✻

  

 ‘Die gasten hadden in elke la van het huis wapens’, zei East.

 ‘Ja’, zei Walter proestend van het lachen. ‘Wel duizend. We hadden er de hele dag kunnen zitten.’

 ‘Wat hebben jullie?’ vroeg Ty zodra ze hun portieren openden.

 ‘Nu krijgen we op onze kop’, zei Walter. Hij haalde uit zijn zak de Glock tevoorschijn en gaf hem door naar achter. East haalde de Taurus tevoorschijn. Terwijl Ty ze bekeek, zette Walter het busje in beweging.

 ‘Deze Glock, lekker’, zei Ty. ‘Die andere, troep. Ja, misschien goed om iemand een klap mee te verkopen.’

 Walter glimlachte. ‘Wat zei ik je?’

 ‘Hoeveel hebben jullie betaald?’

 ‘Vier-tachtig voor alles samen, inclusief kogels.’

 Ty’s mond viel open. ‘Vier-tachtig? Híérvoor? Vier-honderd-tachtig?’

 Walter sloeg af. ‘Goeie prijs?’

 ‘Een Glock als deze krijg je in The Boxes voor tweehonderd’, zei Ty. ‘Hoeveel mannen waren er?’

 ‘Drie’, zei Walter. ‘En een baby’tje.’

 ‘Stop de bus’, zei Ty.

 ‘Nee!’ zei East. Maar Ty wachtte niet. Hij gooide de zijdeur open en sprong de straat op. Ook East gooide zijn deur open, maar de riem bleef steken, en op dat moment schokte het busje doordat Walter het aan de kant zette. East vloekte, zijn vingers deden pijn van het gefriemel. Ondertussen schoot Ty weg tussen de huizen en verdween.

 Op de achterbank lagen twee wapens. Ty had de Glock. Het had geen zin om hem achterna te gaan.

 East trok met geweld zijn deur weer dicht. ‘Ben je niet goed bij je hoofd? Doe nooit wat Ty zegt!’

 ‘Wat gaat hij doen?’

 ‘Daar komen we snel genoeg achter’, zei East verbeten. ‘Rij terug. Snel!’

 In de keukens, achter de veranda’s met hun holle kerstverlichting, gingen de lichten aan. Walter deed de raampjes naar beneden. Geen blaffende honden. Niks. Geen spoor van Ty. Stilletjes reden ze terug naar het wapenhuis.

 ‘Moet ik hier stoppen?’

 ‘Niet recht voor de deur’, zei East. ‘Het is niet de bedoeling dat ze ons in de gaten krijgen.’ Met brandende ogen speurde hij het hele blok af.

 ‘Gaan we hem zoeken?’

 ‘Nee, nog niet.’

 ‘Wat gaat-ie doen?’ zei Walter. ‘Naar binnen lopen en ons geld terugvragen?’

 ‘Walt’, viel East uit. ‘Niemand weet ooit wat Ty gaat doen. Hij bedenkt dingen niet van tevoren. Hij reageert altijd pats-boem.’

 ‘Ty heeft ons wel gered’, begon Walter. ‘Dankzij hem zijn we veilig uit Vegas weggekomen. En toen Michael je te grazen nam? Ty kwam spontaan in actie.’

 ‘Moet je horen wat je zegt, man. Gisteravond zei je nog dat hij problemen gaf. Hij is een beest.’

 ‘Misschien heeft-ie gewoon mazzel’, zei Walter.

 Hij keerde de bus bij een zijstraatje. Uit een geparkeerde auto met opengegooide deuren klonk uitbundige accordeonmuziek. Een kleine latino man was in de kou zijn dashboard aan het poetsen.

 Ze reden er nog één keer vlak langs. East voelde een koud brandend gevoel in zijn maag. Hij wou dat hij op de tijd had gelet. Walter zette het busje vijftig meter bij het huis vandaan. Vanaf daar keken ze zwijgend toe.

 Elf over zes op de klok. Dertien over. Hoelang zouden ze hem geven? De roze ochtendgloed klauterde aan de horizon omhoog.

 (…)

 Zestien over. Een grote truck met een zware stalen laadbak achterop denderde langzaam voorbij, als een koets die door onzichtbare paarden getrokken wordt.

 ‘Heel veel langer kunnen we toch niet wachten?’ zei Walter.

 ‘Ik weet het’, zei East. ‘Ik weet het.’

 ‘We moeten iets gaan beslissen.’

 East hield zijn ogen gericht op het wapenhuis.

 ‘Het is je broertje.’

 ‘Voor wie ik echt niet dood wil gaan’, zei East scherp.

 Achttien over.

 (…)

 Die onberekenbaarheid was een trucje van Ty. Zijn manier om de twee jaar die East op hem voorliep teniet te doen.

 Toen Ty negen was begon hij met het rondhangen op straat, soms nachtenlang. Op zijn elfde ging hij uit huis. Zijn moeders kleine jongen.

 ‘Jij mag het zeggen’, zei Walter. ‘Het is jouw broertje. We kunnen onze wapens pakken en eropaf, prima. Als je weg wil rijden – ook goed. Je weet nooit of een van deze dorpsdametjes de politie belt … misschien hebben ze dat al gedaan. En dan hebben we een serieus probleem.’ Hij zweeg even en rolde zijn kin heen en weer op zijn knokkels. ‘Wat nou als hij daar om zeven uur nóg is, of om acht?’

 ‘Ik had achter hem aan moeten gaan’, mompelde East.

 ‘Oké, vraagje’, zei Walter. ‘Wij waren met zijn vieren. Zonder hem zijn we nog met twee. Jij en ik, dezelfde types. Wij observeren. Wij regelen. We zijn niet bepaald killers. Als we gaan, wij tweeën, wie doet het dan? Wie schiet?’

 ‘Die man, bedoel je?’ East was geïrriteerd, afgeleid, hield zijn blik gericht op het huis. ‘Ik kan schieten.’

 ‘Ja’, zei Walter. ‘Maar ga je ook schieten? Je bent niet bepaald gek op wapens.’

 ‘Ik kan schieten’, zei East neutraal. ‘Hij komt wel terug.’

 ‘Dat moeten we nog zien.’

 Op dat moment barstten de honden uit in luid geblaf. Walter schrok op. East ging recht overeind zitten. Een donkere veeg tussen de huizen. Ty sprintte weg bij het huis, de straat uit, naar de plek waar hij uit het busje was gesprongen. ‘Haal hem in’, zei East. Walter schakelde en gooide het stuur om. Ty hield zijn pistool voor zich terwijl hij rende: Waag het niet om me tegen te houden. Hij rende de straat door alsof hij hen niet zag, alsof het hem niets uitmaakte of ze daar wel of niet reden.

 Maar ineens rende hij toch schuin op het busje af en trok de deur open.

 ‘Wat heb je in godsnaam gedaan?’ zei East.

 Ty liet zich op de middenbank glijden. Hij hijgde en lachte tegelijk. ‘Ik zei toch, jullie hebben te veel betaald.’

 Walter negeerde het stopbord en reed de weg op. ‘Wat heb je gedaan?’

 ‘Ik zei het toch.’ Ty gooide het pak twintigjes voor hen neer op de bank. ‘Vierhonderdtachtig dollar. Wat zeggen jullie daarvan?’

 Met een triomfantelijke blik bezag hij de wereld door het raampje. De ochtend brak aan.




Fragment uit Weg, Bill Beverly, De Geus, september 2017, ISBN

9789044538892, co-vertaling met Laura Weeda




Share by: